Meer over Algemeen

Meditatie:

Gij zijt Mijn Knecht

En Hij heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Knecht Israël, door Welken Ik verheerlijkt zal worden.

Jesaja 49 vers 3

Gods eer zongen de engelen in de nacht van de geboorte van Gods Zoon, Die Mens werd uit de maagd Maria. Gods eer is het hoogste doel van ons leven; het is ook het hoogste doel van de hele schepping. En voor die eer van God zorgt Hij nu Zelf. Want Hij maakt het zo dat Gods eer zwaar weegt op het hart van onze dierbare Borg, wanneer Hij Zijn gebod volbrengt. Daarvan nu profeteert Jesaja met wonder-blijde tonen.
Wanneer we in de weken voor de jaarwisseling bepeinzen de vleeswording van het Woord, dienen we ons te onderzoeken of ook wij deze eer van God leerden bedoelen en daarin ons hoogste vermaak leerden scheppen. Want Gods eer wordt het hoogste vermaak van elke levend gemaakte ziel!
De woorden die we overdenken uit Jesaja 49 laten duidelijk merken dat het om die eer en verheerlijking van God gaat. Omdat wij dat niet kunnen en niet willen; omdat wij er ons niets aan gelegen laten liggen; omdat wij precies het tegendeel voortbrengen ? en wie heeft er smart over? ?; daarom heeft God een Plaatsvervanger, een Borg gegeven. Hij is de ware Israël. Niemand anders draagt die Naam terecht. Ook de zoon van Izak en Rebekka, die als eerste in de geschiedenis de naam Israël krijgt en naar wie het hele volk later zo wordt genoemd; ook deze man van de Jabbok, bij Pniël... ook hij is de eigenlijke Israël niet. Hij is een voorafschaduwing, een afbeelding-van-tevoren van de Persoon, over Wie Jesaja profeteert. 

De ware Israël is Gods Zoon, de Middelaar. In Hem was Jakob Israël. Door het geloof in Hem werd Gods volk van de oude dag en nu nog steeds Israël. Vanuit onszelf is er geen Israël bij.
U vraagt misschien: wat betekent dan de naam Israël? Vorst Gods. Iemand die vorstelijk, overwinnend met God omgaat.
En dat deed Jakob, want hij liet God niet gaan, toen Hij in die strijd aan hem vroeg: laat Mij gaan, want de dageraad is opgegaan. Toen zei Jakob: ik zal U niet laten gaan, tenzij Gij mij zegent. Dat was het “vorstelijke”. U begrijpt, dat er dus niets in Jakob was, om vorstelijk te heten, behalve dan zijn gemis, zijn verlangen naar volheid.
En, o wonder, dát noemt God nu vorstelijk. Dan is een ziel een over-winnaar van God, wanneer zij Hem niet laat gaan, maar zo dringend om Zijn gunst en zegen verlegen is, dat ze Hem tegenspreekt en tegen Zijn Woord in zegt: ik zal U niet laten gaan, tenzij Gij ook míj zegent...
Zo doet nu de Christus ook: Hij heeft geworsteld tegen de toorn van God en Hij heeft een zegen verworven, een zegen aangebracht. Ja meer: Hij deelt deze zegen ook uit. Hij maakt naar deze wonderschone ware Israël verlangend. Hij maakt uw hart begerig, Hij doet u uitgaan met sterk roepen om deze Knecht des HEEREN te mogen leren kennen en om in Hem en om Hem een overwinnaar van God te mogen worden. O, wat een wonderlijke zaak, om overwinnaar van God te zijn in een aanklevend, vasthoudend geloof ? dat arm en leeg is in zichzelf, maar dat tegelijkertijd de volkomen volheid en genade zoekt bij de Heere!
En wat een heerlijke bemoediging om te horen dat we in deze weg God-verheerlijkend bezig zijn. Dan verheer-lijken wíj God niet, maar dan verheerlijkt de Christus Zijn Vader. Dan wordt God verheerlijkt, geprezen, geroemd daardoor, dat wij deze Meerdere Israël als onze Borg en Zaligmaker begeren, aanlopen en aanroepen.
Wat gaat er echter gebeuren, wanneer de ware Israël Zijn Vader gaat verheerlijken? Dan gaat schijnbaar alles verkeerd! Kijk maar naar het volgende vers, waar de Zoon van God in het vlees klaagt: “Maar Ik zei: Ik heb tevergeefs gearbeid, Ik heb Mijn kracht onnuttig en ijdel toegebracht...”
En waarom klaagt Hij zo? Klaagt Hij over uw ongeloof? O, dat wij Hem niet zouden afwijzen, verwerpen; maar dat wij Hem zouden aannemen, beminnen. Dat wij van Hem gebruik zouden maken, zoals Hij Zich in de verkondiging van het heilig Evangelie van Gods genade komt voorstellen. Hij wordt als de ware Worstelaar voor uw ogen getekend. Het gaat Hem om de zaligheid van weggelopen, God-hatende zondaren.
Kent u uzelf als zo-een? Hebt u reden om te vrezen: ik word toch nooit meer zalig? Loopt het bij u zo vast? Weet u geen raad meer? God zegt dat Hij een Knecht heeft. Niet een zwakke knecht, maar Zijn Eigen Zoon, Die met Hem waarachtig en eeuwig God is, de Almachtige. Zal Hij Zijn werk niet voltooien? O, klaag Hem uw nood, ook uw ongeloof. Hij weet ervan. Hij zal er genadig in voorzien!

Ds. W. Pieters,

Elspeet

  • © hersteld hervormde kerk 2021